|
Als
wij met gelovige ogen vermoeden,
dat de honger en de gave van liefhebben
tussen vrouw-en-vrouw en tussen man-en-man
niet verzonken is in de donkere toeval,
maar als schepping ontspringt
aan de lichtende keuze van God,
dan bedoelen wij :
dat ook in deze liefdes-structuur de Eeuwige heeft gesproken;
dat Hij deze vrouwen en deze mannen zegent;
dat Hij achter hen staat;
dat Hij voor deze gestalte van het mens-zijn
verantwoordelijkheid neemt;
dat Hij ziet dat het goed is – ja zéér goed kan zijn.
Ja, dat het óók voor hén niet goed is
om tot alleen-zijn te worden gedoemd.
Zodra
mensen het wagen,
op deze wijze schouder aan schouder te staan,
is het ook hun weg: beeld van God te zijn :
énige openbáárwording van God - -
niet als onmiddellijke afschildering
( evenmin als man-en-vrouw dat zijn ),
maar als appèl tot navolging van God.
Antieke culturen (ook de Joodse)
spreken enkel en alleen met sympathie en begrip
over de asymmetrie van man-en-vrouw.
Alleen de Gríeken brengen een wat gevarieerder ervaring in beeld.
Maar
sindsdien hebben wij
niet alleen de geologie van de aarde,
maar ook de geologie van de ziel
( en van haar ingeslepen gevoels-energieën )
met méér graafwerk kunnen blootleggen,
dan waartoe de rabbijnen (Paulus inbegrepen) in staat waren.
Deze
ontdekking
geeft ons niet alleen het récht, maar ook de plícht:
hun theologie van schepping en van bevrijding
te transponeren
op de verstrengeling van vrouw-en-vrouw en van man-en-man.
Wat
zou de Schepper beogen, met deze oorspronkelijke vondst?
Zonder
twijfel: het wonder van de afwisseling en van veelkleurigheid.
“Honderd bloemen...” zingt een kerklied.
Ach, de dichter schijnt nog te geremd!
“Duizend maal duizend!”, zegt de Schepper.
Dictaturen
( ook kerkelijke )
beogen uniformiteit – ja zelfs uniformen.
De Schépper speelt blijkbaar vanuit een geheel andere smaak!
(...)
Ja,
de Schepper is tuk op verrassingen,
waarin de cultuur (ook de kerkelijke)
ons misschien niet altijd geoefend heeft.
Ik noemde er maar één...
(Jan
van Kilsdonk)
|